Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

BOT EN SCHOL

De platvissenfamilie bestaat uit dieren die als normale 'rechtop'-vis hun leven beginnen, maar zich al gauw aanpassen aan een leven op de zeebodem: de ogen verhuizen naar één van de zijkanten van de kop en het lijf wordt steeds platter. In de zuidelijke Noordzee bestaat ongeveer éénderde van het totaal gewicht aan vissen uit platvissen. Welbekende soorten zijn: de tong, schol, bot en schar, maar ook minder bekende zoals de dwergtong, de tongschar, de schurftvis, de griet, de heilbot en de tarbot.

Platvissen zijn net kameleons; ze bootsen de kleur van de ondergrond na. Op een zandbodem worden ze zandkleurig gespikkeld, op een grindbodem gevlekt met de kleuren van het grind. Als een platvis op een dambord gelegd wordt krijgt hij na een tijdje zelfs een dambord patroon.

SCHOL (Pleuronectes platessa)
Maximale lengte: ca. 90 cm
Maximaal gewicht: ca. 8 pond

De schol is onder de platvissen te herkennen aan aan de helder oranje of rode ronde vlekken op de donkergroene of bruinachtig gekleurde bovenzijde. De onderkant van de vis is wit. De zijstreep en de bases van de zijvinnen voelen glad aan. Van de ogen loopt een kam van 4-7 beendoorns naar de zijlijn, die boven de borstvin licht gebogen is.

Het is een bodemvis die vanaf het strand tot 200 m diep. Volwassen dieren komen vooral voor in water van 10-15 m diep; jonge dieren voornamelijk in ondieper water. Op de Doggersbank komen de oudste en grootste exemplaren voor. Schol kan 25-30 jaar oud worden en een maximale lengte bereiken van ongeveer een meter. Slechts een klein percentage haalt dit. De meeste scholletjes worden in hun eerste jaar opgegeten door roofvissen en vogels. Grotere schollen worden ook door de mens opgevist.

Wanneer de mannetjes 4 jaar en de vrouwtjes 6 jaar oud zijn, zijn ze vruchtbaar. Schollen paaien in de zuidelijke Noordzee van december tot maart. Hier leggen de vrouwtjes afhankelijk van hun leeftijd en conditie 50.000 tot wel een half miljoen eieren. De eitjes drijven los in het water en worden daar door de mannetjes bevrucht. De eitjes worden met de waterstroming naar de kustzone gevoerd. Na 2 of 3 weken komen de larven uit. Jonge scholletjes worden geboren in de Noordzee, maar brengen hun eerste levensjaren door in de Waddenzee en het aangrenzende kustgebied. De larven leven pelagisch (in de waterkolom, niet op de bodem) en eten kleine larfjes van bijvoorbeeld slakken en wormen.

De kleine larven zien er uit als gewone visjes, vergelijkbaar met jonge haringen ofzo. Maar na 1 of 2 maanden wanneer de beestjes 12 tot 14 mm groot zijn, gebeurt er iets vreemds. Hun linkeroog verhuist over de bovenzijde van de kop naar de andere zijde, de kop verdraait ten opzichte van het lichaam, de bek gaat scheef zitten en rug- en buikvinnen groeien door tot aan de kop. De jonge vissen zwemmen vanaf nu op hun linkerkant. De bovenkant van de schol, waar de ogen zitten, is dus eigenlijk hun rechterkant. Vanaf dit moment leven ze als bodemvissen.

Schollen paaien in diep water op zee. De verschillende scholstanden bezoeken ieder een eigen paaigebied. Zo starten de meest zuidelijke schollen eind november in Het Kanaal en trekken de Deense en Schotse schol half maart naar hun noordelijke gronden.

De schol is niet erg kieskeurig en doet zich tegoed aan weekdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen en wormen. Verder eet hij een vissoort: de zandspiering. Het is een typische dageter.

 

BOT (Platichthys flesus)
Maximale lengte: ca. 60 cm
Maximaal gewicht: meer dan 5 pond.

Deze platvis heeft een veel eentoniger gekleurde bovenzijde dan de schol, van bijna zwart tot donkergroen. Soms treft men roestkleurige vekken aan, die nooit zo helder oranje zijn dan bij de schol. De ondeerzijde is roomwit. De vis voelt ruw aan door de rijen stekeltjes op de bases van de zijvinnen en op de zijstreep. Bot vertoont evenals schol, tong, schar en tarbot kleurafwijkingen, zoals witte plekken op de staart aan de bovenkant, of kleurpatronen aan de witte onderkant.

Hoewel zeevis, voelt bot zich thuis in zowel zoet als zout water.

Bot is overdag actief bij de bodem en ‘s nachts in de hogere waterlagen. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit wormen en weekdieren.

BOT- EN SCHOLSTEK

Bot en schol kunnen op de gehele waddenzee goed worden gevangen, maar de beste plaats ligt aan de oostelijke kust van Texel. Vanaf Oudeschild tot aan het natuurgebied ‘De Schorren’ zijn veel goede plekken om in het voorjaar vanaf de dijk de beide vissoorten te vangen.

Ten Noorden van Oosterend ligt de Noordkaap, ter plaatse beter bekend als de ‘IJzeren Kaap’, bij de Waddenzeehengelaars hoog aangeschreven. Goede vangsten worden gedaan bij de mosselbanken voor Oosterend. In de met stokken aangegeven geulen worden dan zeer grote exemplaren gevangen. De beste vangtijden liggen van drie ur voor hoogwater tot ongeveer die uur erna.