Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

ELFT EN FLINT

ELFT (Alosa alosa) EN FINT (Alosa fallax)

Schubben op de zijlijn

Aantal vlekken

Uitsteeksel kieuwboog

Elft

70-80

1

meer dan 60

Flint

60-70

6-10

minder dan zestig

De Elft is een zeer grote, hoge haring met een verhoudings-
gewijs kleine kop. De fint is slanker dan de elft en heeft meer-
dere vlekken op de zijlijn.

Fint









              Elft

Beide soorten komen voor in het westelijk bekken van de Middellandse Zee, de kusten van Spanje en Portugal, de Golf van Biskaje, de Noordzee en de wateren rond de Britse eilanden.
De elft is op onze rivieren uitgestorven en komt ook in de andere Europese rivieren nog slechts sporadisch voor. De fint komt nog steeds in onze rivieren en kustwateren voor.

Het voedsel van deze vissen bestaat vooral uit zwemmende kreeftachtigen, zoals garnalen. De oudere vissen hebben ook kleine vissen op het menu staan. De flint kan aan de spinner, lepel en aan de met spiering en bliek beaasde haak worden gevangen.

Zowel fint als elft verdienen beslist te worden gerangschikt in de categorie sportvissen. Beide zijn met licht materiaal te benaderen en verzetten zich fanatiek. Hun verweer bestaat uit korte, snelle runs en steile sprongen. Zo hoog als de fint komt zelfs de geep niet uit het water.

De elft is dermate zeldzaam, dat een gerichte wijze van bevissen niet is aan te geven. Aangenomen wordt echter dat deze dezelfde is als bij de fint.
Fint is wat langer vangbaar dan de overige zomervissen, vanaf april tot halverwege oktober. In het algemeen wil fint wat meer water onder zich dan bijvoorbeeld geep. Drijvend vissen met dobber, garnaal of stukjes vis midden boven de diepere geulen van de Wadden of de Zeeuwse stromen is voor bootvissers dan ook een zinnige gok.
Zoek de fint vooral in de warmste maanden, daar op een diepte van 4 a 5 meter. Zonder een moment van twijfel verdwijnt de dobber steil naar benden. Tik de vis direct, maar niet te hard vast. De bek van fint, met name de zijkanten, bestaat uit een dun velletje, een vliesje bijna. Na een korte vlucht in de diepte wordt de rest van de strijd aan het oppervlak beslecht. Kopschuddend komt de fint loodrecht het water uit tot een werkelijk verbluffende hoogte. Zelfs in de laatste fase is de fint nog in staat om met een ‘ staande start’ op te springen tot vlak voor het gezicht van de sportvisser.