Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

GEEP

GEEP (Belone belone)
Maximale lengte: ca 80 cm
Maximaal gewicht: ca. 750 gram
Kan een meter lang worden.

Het is een lange, slanke roovis met een dunne snavelvormige bek. De kleur is zilver met bruingroene tot blauwgroene rug. De rug- en aarsvin staan achteraan op het lichaam, vlak voor de gevorkte staart. Een bijzonderheid van deze vis zijn de groene graten en schubben.

De grootste geep die ooit in Nederlands water werd gevangen was 91,5 cm, maar gewoonlijk wordt de soort ongeveer 40 centimeter. Gepen kunnen maximaal ongeveer 18 jaar oud worden.

De geep komt van de Zwarte Zee tot aan de Noorse kust voor en is ook wijd verspreid in het aangrenzende deel van de Atlantische oceaan. Het is een algemeen voorkomende soort langs de Nederlandse en Belgische kust. De Waddenzee is een kinderkamer voor jonge geep. Omdat de eieren van deze soort op de bodem blijven liggen, moet er voldoende stroming zijn om ze van zuurstof te voorzien. Gepen jagen in scholen op kleine vissen (zoals jonge haring, sprot en zandspiering) en zoöplankton. De jonge gepen blijven de eerste winter in de Waddenzee. Daar leven ze van kleine kreeftachtigen. Wanneer ze de Waddenzee verlaten zijn ze 25 centimeter lang. Twee jaar later zijn ze geslachtsrijp en keren weer terug naar het waddengebied.

Een verwante soort, de makreelgeep, (scomberesox saurus) komt in geringe aantallen vanuit de Atlantische Oceaan of Het Kanaal in de Noordzee. Ze raken dan in het najaar bij dalende temperatuur en aanlandige wind onder de kust verdwaald, zodat ze soms aanspoelen aan het strand. De makreelgeep onderscheidt zich van de geep door de vijf tot zes kleine bijvinnetjes achter de rug- en aarsvin.

Gedurende de maanden dat de geep langs onze kusten is te vinden, zwemt hij bijna uitsluitend in de bovenste waterlagen. Van direct onder het oppervlak tot op een diepte van zo’n vijf meter: dat is het jachtterrein van deze karakteristieke sportvis. Het gebruik van (voor zee) zeer licht materiaal is absoluut noodzakelijk. Zware strandhengels met bijbehorende molens, lijnen en werpgewichten kunnen, op een enkele uitzondering na, gerust thuis worden gelaten.

Geep vecht op een adembenemende manier. Onmiddelllijk na de aanslag volgt een razendsnelle vlucht, die de slip van het licht werpmolentje stevig op de proef stelt. Is die ‘ run’ echter met goed gevolg afgestopt, dan gaat de vis over op een ander wapen, het maken van een serie fantastische sprongen. Het slanke lichaam wringend in de onmogelijkste bochten, heftig schuddend met de kop en de lange kaken, komt de geep meer dan een meter hoog uit het water. Is dan de haak niet goed gezet of mankeert er iets aan de afstelling van de slip: vaarwel tegenstander, misschien tot volgend jaar! Geep biedt als bijna geen andere zeevis de mogelijkheid tot echte sport, met gelijke kansen voor vis en visser.