|
De harders zijn stevig gebouwde vissen met iets samengedrukte zijden, zodat ze net niet rond zijn. De kop is kort en plat met een brede, eindstandige bek. Tanden zijn niet of nauwelijks ontwikkeld en indien aanwezig , komen ze voor op de lippen. De eerste rugvin is kort en bestaat uit vier stevige stekels. De tweede rugvin is korter dan de anaalvin. Harder zijn zilverkleurig met strepen in de lengterichting.
Harders komen voor in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee en in de monding van de Nijl. In het overige deel van het Middellandse Zeegebied zijn ze minder talrijk. Verder komen ze voor langs de Atlantische kust van Europa: van zuidelijk Noorwegen tot aan Marokko, de Azoren en de Canarische eilanden.
Harders zijn planteneters: ze grazen algen en wieren van de zeebodem en van stenen, steigers en andere harde voorwerpen onder water. Ook slakjes worden wel gegeten. Ze hebben een lang darmkanaal om de voedingsstoffen uit dit moeilijk verteerbare materiaal te halen. Harders zijn warm-watervissen, die van mei tot oktober voorkomen in de zuidelijke Noordzee. De diklipharder is de meest voorkomende hardersoort in de Nederlandse zoute wateren. Hij wordt tot 60 cm lang en komt veel voor in havens, waar hij leeft van het afval van schepen.
|