|
Een ‘s winters langs onze kusten algemeen voorkomende olijfbruin gevlekte bodemvis met drie rugvinnen, twee anaalvinnen en een flinke kindraad. Een kabeljauw is minstens is minstens 70 cm lang; daar beneden heet hij gul, terwijl de allerkleinste (30-45 cm) voor tor wordt versleten.
Voedsel: alles wat in hun bek past, past ook in hun maag: zandspiering, sprot, haring en krabben vormen het hoofdbestanddeel, maar eveneens plastic bekertjes en ander klein afval.
Kabeljauw komt voor in de Noordzee en in noordelijke Atlantische Oceaan, van de Golf van Biscaye tot Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla. De kabeljauw kan een maximale lengte bereiken van maar liefst 1,9 meter. Maar meestal zijn het de exemplaren van 30 tot 45 centimeter die in de vangsten terechtkomen. De kabeljauw leeft in scholen, meestal nabij de bodem. Het is een trekkende vis die grote afstanden kan afleggen.
De kabeljauw die in de Noordzee voorkomt paait in de eerste twee maanden van het jaar. Overigens is het dier in december al druk bezig met het vormen van kuit. Voorheen was kabeljauw rond z'n zevenjarige leeftijd pas geslachtsrijp, maar door de enorme visserijdruk kan kabeljauw het laatste decennium reeds op vierjarige leeftijd al deelnemen aan het paaiproces. Sommige exemplaren zijn zelfs nog jonger.
In 2000 dreigde er een volledige instorting van het kabeljauwbestand in de Noordzee. De hoeveelheid volwassen exemplaren was tot een bijzonder laag niveau gekelderd. In januari 2001 besloot de EU bepaalde paaigebieden te sluiten om de kabeljauwstand te herstellen. In 2002 werden er nog meer maatregelen getroffen. Desalniettemin is de kabeljauwstand nog steeds ver beneden peil. Volgens cijfers van het Schotse onderzoeksinstituut Fisheries Research Services (FRS), een onderdeel van de Scottish Executive Rural Affairs Department, was 1985 het laatste jaar waarin een sterke jaarklasse geproduceerd werd. Voorheen was er sprake van een interval van drie tot vijf jaar waarna zich een sterke jaarklasse aandiende. Door het uitblijven van een fikse reproductie kan de kabeljauwstand het niveau van de huidige visserij-intensiteit niet aan.
Bedreiging Wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar de oorzaken van het teruglopen van de reproductie van kabeljauw. De kabeljauw bereikt als gevolg van de visserijmortaliteit geen hoge leeftijd meer en minder exemplaren worden oud genoeg om te paaien. Vis die al eens eerder aan het paaiproces heeft deelgenomen produceert meer en bovendien een veel betere kwaliteit eieren per lichaamsgewicht dan vissen die voor het eerst paaien. In de zestiger jaren was 60% van het kuit afkomstig van exemplaren die minimaal voor de tweede keer deelnamen aan het paaiproces. In het begin van de negentiger jaren was dat gedaald tot minder dan 40%.
|