Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

ROGGEN

Pijlstaartrog (Dasyatis pastinaca)

Roggen zijn geen platvissen, maar platte vissen. Het plat worden is anders verlopen dan bij de platvissen. Bij de roggen is het lichaam vlakker, minder hoog geworden. De borstvinnen zijn vergroot en vormen één geheel met het lichaam. Het kopgedeelte van de vis is hierdoor schijfvormig geworden. In onze wateren komen hoewel zeer zeldzaam twee sidderrog‑soorten voor, de gewone sidderrog en de gemarmerde sidderrog (Torpedo nobiliana en T. marmorata).

Zij hebben ongeveer de vorm van een 'banjo' en kunnen een lengte van maximaal 1,5 meter, respectievelijk 1 meter bereiken. De echte roggen hebben een duidelijke ruitvorm. In de Nederlandse kustwateren zijn tot nu toe 8 soorten roggen, van het geslacht Raja, waargenomen. Van de soorten die bij ons voorkomen is er slechts één algemeen, één minder algemeen en de 

Deze rog is direct van de andere roggensoorten te onderscheiden door de lange zweepachtige staart. Aan deze staart zitten op eenderde van de lengte meestal één, soms ook twee en heel zelden drie stekels, pijlen of ook wel speren genoemd. Deze stekel is voorzien van een groot aantal kleine weerhaakjes.

Verspreiding De pijlstaartrog komt algemeen voor in ondiep kustwater. In de zomer treffen wij er meer aan dan in de winter. In de Zeeuwse stromen komen zij veel voor, m.n. in de Oosterschelde. Pijlstaartroggen schuwen brak water niet, zij schijnen er door te worden aangetrokken. Ze leven liefst op zandgrond; op steenachtige en modderige bodem komen ze vrijwel niet voor.

Het voedsel bestaat uitsluitend uit bodemdieren, zoals schelpdieren, krabben, garnalen en een aantal vissoorten.

Haaien en roggen behoren tot de Kraakbeenvissen. Hun huid is bedekt met tandschubben. De vinnen hebben geen vinstralen. Ze hebben kieuwopeningen in de vorm van spleten. Achter de ogen zit een gat (spiraculum), waardoor water wordt aangezogen voor de ademhaling. Ze hebben geen zwemblaas. Hun tanden worden het hele leven lang gewisseld. Haaien en roggen hebben een inwendige bevruchting. Er zijn eierleggende, eierlevendbarende en levendbarende soorten.

De meeste roggen van het Nederlands Continentaal Plat zijn in de tweede helft van de 20e eeuw sterk achteruitgegaan doordat ze gevangen worden als bijvangst van de visserij op bodemvissen.

Roggen zwemmen met hun bortsvinnen. De beweging van de vinnen zorgt ervoor dat de rog vooruit en omhoog komt. Dit laatste is erg belangrijk, want een rog blijft niet vanzelf in het water drijven. Hij is hiervoor te zwaar. Dit komt o.a. omdat roggen geen zwemblaas hebben. Roggen kunnen niet achteruit zwemmen. Hun spierbeweging kan maar 1 kant op gaan.

Stekelroggen eten voornamelijk kreeftachtigen en zandspiering. Liggend op de zeebodem wachten ze op hun prooi: die komt vanzelf een keertje langs. Ze gebruiken dus maar heel weinig energie voor het opsporen van prooien. Om zich voor hun prooi onzichtbaar te maken graven ze zich (deels) in, bovendien heeft hun rug een vlekkenpatroon. Dit samen zorgt voor een goede camouflage.