Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

WIJTING

WIJTING (Merlangus merlangus)
Lengte: 40 - 70 cm

Heeft net als kabeljauw (en steenbolk, schelvis, koolvis) drie rugvinnen, twee aarsvinnen en buikvinnen+ bij keel, maar de baarddraad aan de kin is erg klein. Snuit lang en puntig. Rug donkerblauw tot groen, flanken en buik zilver, donkere vlek aan basis borstvin.

Wanneer de wijting in de loop van de zomer een lengte van 8 - 10 cm bereikt, zoekt hij de bodem op, waarbij zijn aandacht zich richt op op de talrijk aanwezige garnaalachtigen. Naarmate hij verder groeitontwikkelen zich echter scherpe tandjes in boven- en onderkaak en meer en meer legt hij zich toe op het verschalken van kleine vis. De volwassen wijting is dan ook een geduchte rover geworden, waarvoor het eigen nakomeling-
schap niet meer veilig is.

Zwemt voornamelijk in water 30 - 100 m diep. Voedt zich vlak boven de zeebodem met kreeftachtigen en vis, maar ook met wormen en weekdieren.

Zeer algemene vis in de Noordzee, zwemt ook voor de westkust van Noorwegen tot IJsland rond de Britse eilanden en zuidelijker tot aan de Middellandse Zee. 

Het paaien gebeurt in het begin van de lente in het zuidelijk deel van het verspreidinggebied
Voor het paaien hebben de blauwe wijtingen water met een zoutgehalte van 35% en een temperatuur van 8 - 9º C. nodig. De jongen schuilen vaak onder de paraplu van kwallen.

De larven en de pootvissen leven in de bovenste lagen van ongeveer 1000 meter diep water.