Nederlandse Federatie van Brandingwatersportverenigingen

Home   Zeilen    Bootvissen    Strandvissen    Veiligheid

CONGER OF ZEEPALING

CONGER OF ZEEPALING (Conger Conger)
Een bij sportvissers meer gebruikelijk naam is Congeraal, ook wel verbasterd tot kommeraal.
Maximale lengte: ca. 3 meter

Zeepaling wordt vele malen groter dan de paling. In tegenstelling tot de paling zijn bij de congeraal de ogen ovaal. Bij de paling rond! De bovenkaak is langer dan de onderkaak. De borstvin is puntig in tegenstelling tot de borstvin van de paling die rond is. De rugvin begint vrij dicht achter de kop, ongeveer daar waar de borstvin het lichaam raakt. Bij de paling begint de borstvin veel verder naar achteren.

Congeralen komen voor van ondiep water tot honderden meters diep. Kongeralen zijn een stuk groter dan palingen. Ze paaien in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, op 30º - 40º Nb en op een diepte van 3000 - 4000 m. De populaties van de Middellandse Zee paaien ter plekke en door de straat van Gibraltar komen ook heel veel larven deze zee binnen.

Net als bij de paling heeft men heel lang gedacht dat de larven een aparte vissoort waren. Voor de metamor-
fose zijn deze larven tot 160 mm groot, veel groter dan die van de paling dus.

Exemplaren gevangen in de kustwateren zijn meestal bruin van kleur. In diep water gevangen dieren hebben een bruine rug en grijze flanken en buik. De rugvin van dieper levende congeralen heeft een zwarte omzoming die zeer opvallend is. Congeralen komen voor langs rotsachtige en zandige kusten in ondiep en diep water.

Het zijn zeer roofzichtige vissen die een grote verscheidenheid aan bodemvissen en andere dieren eten. Vrijwel alle kabeljauwachtigen (kabeljauw, wijting, schelvis,koolvis, e.d.), platvissen en kleine haaien, haring en sardien, inktvissen en krabben werden in magen aangetroffen.

De sportvissers die kennis hebben gemaakt met de vis, die in zwaargewichtklasse, het zonder zonder enige twijfel in woeste vechtlust en pond-voor-pond kracht wint van zelfs de mako en de neushaai, kun je in twee groepen verdelen. De ene groep zegt: “dat is eens, maar nooit weer”, en de groep die ervan overtuigd is dat de congervisserij de opwindendste en uitputtendste sport levert die in de Westeuropese wateren kunt beleven.

Waar zoeken we de conger?
Op zomeravonden in water van zo’n 20 meter of dieper, daar waar de bodem schuilplaatsen biedt en een ruim voedselaanbod is. Dus bij basaltdammen of op grote stenen zoals die in de Westerschelde en westelijk van Vlieland en Terschelling te vinden zijn, inhammen in rotskusten of steil aflopende grindstranden, wrakken en zinkstukken. ‘s Nachts ook bij spleten in kademuren van vissershavens. Hoe zuidelijker we afzakken langs de Belgische kust naar de Franse Kanaalkust, des te groter wordt de conger. Voor exemplaren van werkelijk monsterachtige afmetingen, moeten we echter naar Zuid-West Engeland en wel bij voorkeur naar Plymouth, waar veel gespecialiseerde schippers aan de Vauxhall Quay te vinden zijn (en waar het hoofdkwartier van de Britse Conger Club is gevestigd).